Het verhaal van De Weipoort 2; over Canefaten, Batavieren en Romeinen.

Wie vandaag over de Weipoortseweg rijdt, ziet een rustig polderlandschap met sloten, weilanden en lintbebouwing. Tweeduizend jaar geleden zag deze plek er totaal anders uit. Het gebied bestond toen uit een nat veenmoeras met kleine kreken, rietvelden en hoger gelegen rivieroevers langs de Oude Rijn.

De samenlevingen in die tijd waren georganiseerd rond clans of families, met een nadruk op gemeenschapsverbondenheid. Leiders werden vaak gekozen op basis van hun ervaring en vaardigheden, niet noodzakelijkerwijs op basis van afkomst. Beslissingen werden vaak genomen in overleg met een raad van ouderen of krijgsheren, waarbij de gemeenschap een stem had in belangrijke zaken.  De meeste stammen waren agrarisch, met een focus op de teelt van graan, groenten, en het houden van dieren zoals varkens, schapen, en runderen.  Stammen hadden hun eigen goden en mythes, vaak vertegenwoordigd in de natuur. Ceremonies en rituelen speelden een belangrijke rol in hun dagelijks leven.

In onze omgeving, door de Romeinen benoemd als Gallië, leefde verschillende stammen. De bekendste daarvan waren de Bataven, de Canefaten en de Friezen. Welke stam het hier precies voor het zeggen had is nog altijd in de nevelen van de geschiedenis verhuld, maar vondsten in de omgeving wijzen de Canefaten als meest waarschijnlijke kandidaten.

De komst en de aanwezigheid van de Romeinen was niet bepaald geweldloos. In zijn geschriften, met name in de Commentarii de Bello Gallico (Verslagen van de Gallische Oorlog), verwijst Julius Caesar naar verschillende regio’s en stammen in Gallië en rondom de Rijn. Archeologische vondsten in meerdere plaatsen langs de Rijn, zoals in Delft en Leiden, wijzen op gewelddadige conflicten. Er zijn botresten en gebruiksvoorwerpen gevonden die samenhangen met gewelddadige interacties tussen Romeinen en de lokale bevolking.

De rivier was in die tijd de belangrijkste verkeersader van de streek. Op de oeverwal langs de Rijn lag een belangrijke Romeinse militaire post: Castellum Matilo. Dit fort lag ongeveer drie kilometer ten noorden van de huidige Weipoort, op de plek van het huidige Leiden-Roomburg. Het maakte deel uit van de noordgrens van het Romeinse rijk, de zogenaamde Rijn-limes.

Artist Impressie van de Romeinse Limes in de Nederlanden.

In het fort verbleven enkele honderden Romeinse soldaten. Hun taak was het bewaken van de riviergrens en het controleren van het verkeer over water en land. De Rijn vormde namelijk niet alleen een natuurlijke grens, maar ook een drukke handelsroute. Schepen vervoerden graan, bouwmateriaal, wijn en andere goederen langs de fortenketen die langs de rivier lag.

De forten zijn niet alleen door de rivier met elkaar verbonden. Naast de rivier is door de Romeinen een weg aangelegd. Deze limesweg langs de Oude Rijn is grotendeels in kaart gebracht door archeologische vondsten. Het traject tussen Leiden, Zoeterwoude en Alphen is redelijk goed gereconstrueerd en volgt meestal de zuidelijke oeverwal van de Oude Rijn, ongeveer waar nu de Rijndijk loopt.

Voor de streek rond de huidige Weipoort was vooral één Romeins project van groot belang: het kanaal dat rond het jaar 47 na Christus werd gegraven door de Romeinse veldheer Gnaeus Domitius Corbulo. Dit kanaal staat bekend als de Fossa Corbulonis, of simpelweg het Corbulokanaal.

Het doel van dit kanaal was praktisch. Romeinse schepen konden zo van de Rijn naar de Maas varen zonder langs de gevaarlijke Noordzeekust te moeten. De verbinding liep ongeveer door het huidige Rijnland richting Voorburg en Leidschendam. Matilo lag precies bij het beginpunt van deze route en kreeg daardoor een belangrijke logistieke functie.

De Bataafse Opstand (69–70 n.Chr.) had ook gevolgen in het westelijke Rijnland, dus in het gebied langs de Oude Rijn en waaronder ook de omgeving van Zoeterwoude en de Weipoort. De archeologische aanwijzingen bij het Castellum Matilo zijn subtieler dan bij Utrecht of Nijmegen, maar er zijn wel degelijk sporen en ook uit de ontwikkeling van dat Castellum blijkt dat het hier rond het jaar 70 onrustig moet zijn geweest.
1 – Een vroeg houten fort (ca. 40–70 n.Chr.)
2 – Een verwoestingsfase rond het einde van de 1e eeuw
3 – Herbouw kort daarna
Die verwoestingsfase loopt opvallend samen met de periode van de Bataafse Opstand.

Het landschap rond de Weipoort zelf was in die tijd waarschijnlijk nauwelijks permanent bewoond. Het bestond vooral uit veenmoeras dat bij hoge waterstanden kon overstromen. Wel kunnen vissers, jagers of handelaren tijdelijk gebruik hebben gemaakt van de kreken en waterlopen die door het gebied liepen. De latere waterlopen zoals de Weipoortse Vliet hebben mogelijk zeer oude natuurlijke voorlopers in dit moeraslandschap.

Toch speelde het gebied indirect een rol in de Romeinse wereld. Vanuit Matilo en de andere forten werd het omliggende landschap gebruikt voor voedselproductie, houtwinning en transport. Het veenland leverde turf en hout, terwijl de rivier en de vele waterlopen natuurlijke routes vormden. Aan de oevers van de Weipoortse vliet zijn met name het huidige Heineken terrein zijn er sporen van Romeinse bewoning gevonden. Het blijft onduidelijk of die bewoning op deze strategische locatie ook de basis van het Kasteel Swieten is geweest.

Artist Impressie van de Weipoortse Vliet aan het begin van de jaartelling.

Toen de Romeinen in de derde eeuw langzaam uit het gebied verdwenen, verdween ook de militaire betekenis van de Rijn als grens. Het landschap bleef echter grotendeels hetzelfde: een nat, moeilijk toegankelijk veengebied met hier en daar hogere oeverwallen.

Pas vele eeuwen later trokken mensen het gebied in en ontstonden kleine nederzettingen zoals het dorpje Suetan dat volgens de overlevering aan de oevers van de Weipoortse vliet gelegen heeft. Vanaf ongeveer de tiende en elfde eeuw, begonnen mensen het gebied systematisch te ontginnen. De sloten, kavels en wegen die toen werden aangelegd vormen nog steeds de basis van het huidige landschap van de Weipoort. Dat is evenwel een verhaal voor een van de volgende afleveringen.