19 maart 1903, Watersnood dreigt in de Weipoort
Donkere wolken, een zware noordwester storm met enorm veel regen: Jan van der Poel, boer en korenmolenaar in de Wei poort zag het vanaf de omloop van zijn molen allemaal somber aan. Zijn zorg was niet de molen, die was sterk genoeg om dit alles te kunnen weerstaan. Jan van der Poel was n.1. ook voorzitter van de Oost- en Westbroekpolder en als zodanig verantwoordelijk voor de waterhuishouding van de polder. Wat beangstigde Jan van der Poel? De gemeente Zoeterwoude had vergunning gevraagd en gekregen voor het bouwen van de Lagerbergbrug, dienende voor verbinding van de Weipoortseweg naar Gelderswoude. De brug moest “in de droge” worden gemaakt en hiervoor was vergunning aangevraagd om de Weipoortse Vliet aan beide zijden van de te maken brug af te dammen. Het Hoogheemraadschap van Rijnland had hiervoor, na ingewonnen advies van de polder, toestemming verleend. Maar door het abnormaal slechte weer, lang durige regen met een krachtige storm, was het buitenwater in korte tijd sterk gestegen. De afvloeiing van het buitenwater vond plaats door de Weipoortse Vliet naar de Oude Rijn en vervolgens naar zee. Door de afdamming moest het water van de Noord Aa en omgeving langs een grote omweg, n.1. via de Omdijkte Watering (Geerbrug) via Stompwijk naar de Meerburgerwatering en zo naar de Oude Rijn. En dat gaf Jan van der Poel grote zorgen: het water kon niet tijdig worden afgevoerd en het buitenwater was snel stijgende en stond reeds tot de bovenkant van de hier en daar slechte polderkaden.
Van der Poel kon het niet langer aanzien en hij vroeg zich af wat hij moest doen. Opeens flitste het door zijn hoofd: Boonekamp moest hem raad geven. Boonekamp, de gepensioneerde gemeentesecretaris, was n.1. de secretaris-penningmeester van de polder. Hij rende de molentrap af en schreeuwde naar zijn oudste zoon: “Klaas, span direct de vos voor de tilbury, ik moet naar Boonekamp”. Terwijl Klaas met spoed het vurige paard had voorgespannen, was de poldervoorzitter in zijn zwarte broek en lakense jas gestoken met “het wit voor”. Als een pijl uit de boog vloog het lichte gerij met de poldervoorzitter de Nieuweweg af. Onderweg bedacht hij bij zichzelf: “ik had eigenlijk de poldermeesters motten waarschouwen”. Maar luidop zei hij tegen zichzelf: “ik ben niet bedonderd, d’r mot niet gepraat worden, want er is geen minuut te verliezen”. AI spoedig trok Van der Poel hard aan de bel van huize Boonekamp in de Heerenstraat en mevrouw Boonekamp-Dorbeck vroeg angstig: “Wat is er aan de hand Van der Poel, dat je zo hard belt”?,,0 juffrouw, vraag astublieft of meneer Boonekamp dadelijk met me mee kan gaan naar Rijnland; astublief dadelijk. Ik blijf bij mijn paard”. Heel rustig verscheen even later de statige heer Pieter Joan Marie Boonekamp aan de deur en zei heel rustig: “Maar mijn vriend Van der Poel, wat drijft u, op dit uur onder melkenstijd, naar hier”?,,0″, stotterde de altijd zo goed bij de rede zijnde boer-molenaar, “maar man, begrijpen jullie hier in de stad niet, wat er aan de hand is? Ik ben vlieges vlug tegen die zware Noordwesterstorm op komen rijden, ik ben bekant drijfnat, ’t is noodzakelijk. Door die verdomde dam voor de nieuwe brug, de nieuwe brug in de Weipoort kan het water niet weg en als dat zo doorgaat verzuipen alle polders tot Moerkapelle toe. De polderkaden zijn te laag en te slecht om al dat water tegen te houden. Doe maar gauw een dikke jan aan en kom in de til brie, we gaan naar Rijnland”.
De oude heer Boonekamp begreep onmiddellijk de ernst van de situatie, maar meteen flitste deze bekwame ambtenaar door het hoofd: we hebben verzuimd in de vergunning tot het afdammen van de Weipoortse Vliet een clausule op te laten nemen dat, als naar het oordeel van het bestuur van de polder een watersnood drijgt, de vergunninghouder, in dit geval de gemeente Zoeterwoude, verplicht is de afdamming te verwijderen. Maar hij kon er nog niet toe komen zich tegenover zijn voorzitter bloot te geven. Hij troostte zich met de gedachte: Rijnland had uit zichzelf, na het bericht om raad, deze clausule moeten opnemen. Met angst in het hart zat de poldersecretaris na te denken. Hij verzamelde al zijn moed en zei: “Poel, we gaan naar huis van Meester Egbert de Vries, de Dijkgraaf van Rijnland”. “Ja, dat lijkt mij het beste”, zei Van der Poel”. Zij arriveerden voor ’t patriciershuis op ’t Rapenburg en de vos werd met het halstertouw vastgezet aan een lantaarnpaal, terwijl mijnheer Boonekamp aan de bel trok van de prachtige voordeur. De mannen hoorden de oude dienstbode aankomen en de deur openen. Zij stond in de deuropening met een zwarte japon aan en een klein wit schortje en een wit geplooid mutsje op haar hoofd. Op de vraag of mijnheer De Vries thuis was en de voorzitter en secretaris van een polder wilde ontvangen, slofte zij weg en even later kwam de Dijkgraaf de heer Boonekamp vriendelijk tegemoet en toen mijnheer De Vries de voorzitter van de polder werd voorgesteld, zei hij direct: “Wat drijft de heren op dit late uur, zo zorgelijk, naar mijn huis?”. “Gaat u maar binnen in de spreekkamer, onderwijl ik even sigaren haal”.
Toen de heren gezeten waren meende de heer Boonekamp dat hij nu maar moest zeggen waarom zij gekomen waren en zei kort en krachtig: “Mijnheer de Dijkgraaf, er dreigt een ernstige watersnood voor de polders tussen de Noord Aa en Moerkapelle. Als ik het kort mag zeggen, het is dringend nodig dat de dammen die in de Weipoortse Vliet geslagen zijn, voor het bouwen van de nieuwe brug onmiddellijk worden opengemaakt. Wij zullen maar openhartig spreken: ons polderbestuur heeft in het bericht tot raad bij het verzoek om de Weipoortse Vliet tijdelijk af te dammen, helaas verzuimd als voorwaarde te stellen, dat bij een dreigende watersnood het bestuur van de polder, in overleg met het Hoogheemraadschap van Rijnland, de bevoegdheid heeft te gelasten tot onmiddellijke verwijdering van de dammen”. Lang behoefde de Dijkgraaf niet na te denken en zei: “Ik waardeer dat u zo ruiterlijk komt zeggen dat het polderbestuur een formele fout heeft gemaakt. We zullen maar in ’t midden laten in hoeverre onze Technische Dienst ook een ernstig verzuim heeft gemaakt: daar spreken we later nog wel eens over. Om geen tijd te verliezen wil ik aannemen dat hier sprake is van ernstig dreigend gevaar. Ik geef u een brief mede waarin ik de gemeente Zoeterwoude gelast, onmiddellijk de dammen, voor zover de polder het nodig acht, op te ruimen. Ik geef u toestemming, om in geval de gemeente niet aan deze opdracht voldoet, zelf maatregelen te nemen”.
Terstond nam de Dijkgraaf een groot formaat papier uit de cassette, die op tafel stond, zeggende: “In de zes jaren dat ik Dijkgraaf van Rijnland ben, staat deze doos met papier met het wapen van Rijnland er op, voor het geval dat ik een plotseling bevel moet geven”. De Dijkgraaf schreef zijn bevel: Handelende tot voorkoming van een ramp, sommeer ik de gemeente Zoeterwoude, onverwijld de dammen in de Weipoortse Vliet te openen. Ondertekende met Egbert de Vries, Dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Rijnland. De brief ging in de enveloppe, waarop gedrukt stond: van het kabinet van de Dijkgraaf van Rijnland. Op een kleiner formaat schreef de Dijkgraaf toen: ga per rijtuig onmiddellijk naar de aannemer Van Tilburg op ’t Watertje in Zoeterwoude en gelast hem onmiddellijk de dammen in de Weipoortse Vliet te trekken. Op kosten van ongelijk gegarandeerd door het College van Rijnland. Neem bij weigering direct maatregelen en ga zonodig met dit bevel naar de Rijksveldwacht in Leiderdorp. De Dijkgraaf reikte de gesloten brief aan de poldersecretaris zeggende: “Stel deze brief zo spoedig mogelijk ter hand aan de gemeentesecretaris, of, als hij niet thuis is, aan de wethouder”. (De burgemeester van Zoeterwoude, Hemmingson, woonde in Den Haag.) Vervolgens gaf hij het open briefje aan de secretaris met de woorden: “Breng dit briefje bij meneer Van Loenen op de Vestwal” (nu: Jan van Houtkade). Mr. de Vries bracht de beide mannen naar de voordeur en zei: “Van der Poel, mijn respect voor uw verantwoordelijkheidsgevoel. Stoort u nergens aan en zorg dat de dammen open komen. Voor de kosten sta ik als Dijkgraaf garant”. Het paard stond te rillen, het water droop aan alle kanten over zijn huid.
De beide mannen stapten in en reden zwijgend naar het huis van opzichter Van Loenen op de Vestwal. De mannen hadden geen tijd om binnen te komen, vertelden in enkele woorden wat er aan de hand was en kregen toen te horen: “Zo zo, dat is niet prettig voor mijnheer Hoogeboom” (de ingenieur van Rijnland). Opzichter Van Loenen was in alle opzichten een bekwaam en ijverig man. Hij was nog niet oud, maar maakte door zijn armzalig figuur de indruk van een zielig mannetje. Ondanks zijn uiterlijk was zijn optreden en spreken kloek en doortastend. Toen hij het briefje gelezen had, zei hij: “Ik laat direct een koetsje voorkomen en ga naar Zoeterwoude”. Hierna bracht Van der Poel zijn secretaris thuis. Onze poldervoorzitter reed, nadat hij de brief aan de gemeentesecretaris Van Gils had overhandigd, in volle vaart naar de Weipoort. Niet naar huis maar naar de bewuste dammen. Daar stonden al vele boeren te schreeuwen en te gebaren. Ze hadden al aanstalten gemaakt om de eerste damplanken bij de polderkade te gaan trekken. Jan Poel schreeuwde tegen de razende wind in: “Bennen jullie nou bedonderd”? En in zijn nerveuse toestand kon hij niet nalaten te zeggen: “Wat benne jullie boeren toch een stomme donders. Begrijpen jullie dan niet dat op de plaats waar je het eerste gat in de dam maakt, dat er op die plaats, vlak bij de kade, dan een schuring ontstaat, een hoos water dat de gehele polderkade zal wegspoelen”.
Toen zei er één: “Dus we motten in het midden beginnen”? “Ja natuurlijk”, zei Jan Poel, “en gauw, want de wind gaat krimpen naar het Zuidwesten en dan krijgen we al het water hierheen. Haal lantaarns. Het zal niet meevallen om midden in de dam een plank te trekken: De planken zijn gezwollen en zitten muurvast”. Kees van Heteren, de timmerman-molenmaker uit de Weipoort, voor hulp opgeroepen, had daar ook al aan gedacht en kwam met een arm vol snikken (lange beitels, bijna één meter lang, die men vroeger gebruikte om de gaten in de dikke eiken molenassen te hakken). “Verblomme Kees” (dat was de grootste vloek die Jan Poel in zijn register had staan) “verblomme nog aantoe, jij bent tenminste een man met verstand. Jij hebt dus ook begrepen dat we in het midden van de dam motten beginnen”. Maar Kees zei niet veel en begon met een grote anderhalfduims boor, een Z.g. avegaar, ter hoogte van de waterlijn gaten te boren in de damplanken. In het midden van de dam liet hij echter een damplank onaangeroerd: dat zou de eerste plank zijn die getrokken moest worden. Gelukkig stonden de middelste planken van de dam een halve meter boven de damligger. Nadat een paar planken gat na gat doorboord waren was het maar even werk om een snik en een slegge de koppen van de damplanken te slaan.
Inmiddels was de aannemer van de brug, Baas van Tilburg, gearriveerd. Hij had gelukkig zijn “lange Jaan” op het werk. Wie denkt u, was de “lange Jaan” van de timmermansbaas Arie van Tilburg? Dat was zo gekomen: Ouwe Jacob van Tilburg, de vader van Arie, was in zijn tijd aannemer van flinke waterbouwkundige werken. Er moest bij dit werk vaak dammen worden geslagen en natuurlijk ook weer getrokken worden en hiertoe was Van Tilburg in het bezit van een heel grote dommekracht (toen vaak kelderwinde genoemd). Van Tilburg had direct gevolgen gegeven aan de sommatie hoewel hij niet gelukkig was met de stagnatie van het werk. Maar hij zei tegen zijn vrouw: “Er is geen bokking zo mager of er braait wel wat uit. De ingenieur zal het wel goed met me maken”. Hij had, ter assistentie, zijn vaste kracht Jan Straathof, meegebracht. Maar ik zou de lezer vertellen waarom de dommekracht op het werk “lange Jaan” werd genoemd. De vaste knecht van Baas van Tilburg, komende uit Hoogmade, aan het vrijen geraakt met Jaan van Benten (een zuster van Willem van Benten, de schoenmaker uit de Weipoort). Deze uitermate lange vrouw werd in het dorp altijd lange Jaan genoemd. Ambachtslieden waren veelal grappenmakers en ontzagen zich niet zich te vermaken ten koste van andere mensen en zo was het gebeurd, dat een timmerman, toen hij het kelderwinde bijna niet tillen kon zei: Wat is die lange Jaan zwaar op de hand”. Jan Straathof, de vrijer van lange Jaan van Benten, was zo dom om boos te worden en juist daarom werd dit werktuig vanaf die tijd zo genoemd. Met moeite werd het zware apparaat met een zware stropketting op de damligger opgesteld. “Zo”, zei toen Baas van Tilburg tegen Baas van Heteren, “nu zullen we eens zien hoe sterk “lange Jaan” is”. “Als de damlegger het maar houdt”, zei Kees van Heteren. Van Tilburg stelde Van Heteren gerust: “de damleggers zijn goed onderheid, dat doen we altijd”. Jan Straathof was inmiddels naar de andere dam gegaan om daar ook de planken, naast de middelste damplank van de koppen te ontdoen.
Onderwijl arriveerde de opzichter van Rijnland, de heer Van Loenen. Hij ging direct naar Arie van Tilburg en zei: “Zo, ben je al begonnen. Het doet me goed dat je geen tegenstand geboden hebt. Ik maakte me al ongerust dat jullie bij het trekken van de dam bij de kade zouden zijn begonnen. Goed gezien, Van Tilburg, want een gat in de dam, vlak bij de polderkade zou wel eens heel slechte gevolgen gehad kunnen hebben”. Twee mannen draaiden moeizaam aan het dubbelwerkend grote kelderwinde. “Die d’r niet bij nodig zijn, achteruit”, schreeuwde Baas van Tilburg. H ij wist zijn stropketting was heel sterk, maar het was meer gebeurd, dat een schalm van zo’n ketting brak en weg vloog met hele nare gevolgen. Jan van der Poel stond het werk met spanning te volgen, toen boer Willem Hoogeveen het waagde tegen hem te zeggen: “Nou buur, je hebt het goed mis gehad om vergunning te geven voor die dam”. Jan van der Poel was duivels en schreeuwde: “Och vent, wat wou jij weten, zo’n raad had jij mij twee maanden eerder moeten geven”. Hij vervolgde: “Wil ik jou eens wat zeggen: van achteren kijk je een koe in zijn kont. Ook bij Rijnland, ook de inspecteur, zag geen bezwaar”. Opeens werd de aandacht van de mannen gericht want er klonk een kreet: “Hij schiet”. De damplank was tussen de gezwollen planken uit de grond losgekomen. Nu was het gevaar bijna bezworen. Na de eerste planken volgden veel sneller nog enkele planken en het water vloog door het ontstane gat. Van Loenen prees Van Tilburg, dat hij begonnen was aan de dam aan de lage zijde. Hierdoor ontstond in de bouwput niet zo’n groot hoogteverschil van water. Hij stelde voor nog enige planken aan de lage zijde te verwijderen opdat het water, als de hoge dam geopend zou zijn, vlot afgevoerd kon worden. En zo geschiedde! Ook het trekken van de damplanken aan de hoge zijde gelukte en het water kon zijn natuurlijke weg weer vinden naar de Rijn.
Jan van der Poel was inmiddels naar huis gegaan om zich van droge kleren te voorzien. Dit gedaan hebbende dronk hij twee “straffe” bitters. Moeder van der Poel liep mopperend door het achterhuis naar de grote “keuken” (de winterverblijfplaats van de familie) en zei: “Ze laten jou overal voor opdraaien, je bent hartstikke gek. Wat zie ik nou, staat de vos nou weer voor de tilbury? Je zal toch niet zo gek zijn om je weer pisnat te laten regenen”? Vader Poel zei: “Hoor eens vrouw, je bent voorzitter van de polder of je bent het niet. Zeker als er watersnood dreigt. An de ene kant heb ie gelijk, as een mens goed begreep, welke verantwoording je op je hals haalt met poldervoorzitter te worden, nou dan zou geen mens het willen worden”. Moeder van der Poel, nuchter, bij verzuurd af, zei venijnig: “De eer hè, allemaal eerzucht… Mijn vader, die man was wijzer, die mos “niks van erebaantjes hebben, die zee altijd: baantjes niks waard, je krijgt toch stront voor dank”. Toen zei Van der Poel: “Vrouw, laten we geen ruzie over maken. Ik mos vandaag voor de polder aan het werk of had je soms liever gehad dat ons land en het land van alle boeren en ik weet niet hoeveel polders had ondergelopen”. Hij liep met grote passen naar buiten, maakte het paard los en reed naar de bouwput.
Intussen waren reeds leden van polderbesturen uit Stompwijk komen kijken hoe de werkzaamheden verliepen. Polderbesturen die, ondanks hun jaarlijkse schouw over de kaden, heel goed wisten, hoe slecht het gesteld was met de kwaliteit van de polderkaden. Elk jaar opnieuw was het heel moeilijk om de boeren zover te krijgen dat zij de bij hun in onderhoud zijnde kaden met goede materialen aan de eisen te laten voldoen. De voorzitter van de Stompwijkse (Grote) Meer-Polder schreeuwde: “We zalle ze wel krijgen, die labbekakken, die nooit geen gevolg geven aan een beschouwing. Het mot nou maar eens uit weze. Die lui zullen we wel dwingen om de kaajen hoog en breed genoeg te houden”. Maar de opzichter van Rijnland liep naar die poldervoorzitter toe en zei : “Dat hadden jullie al veel eerder moeten doen. Je zal er nu wel meer van horen. Morgen laat ik een ploeg opzichters alle kaden die achter deze plaats liggen, opmeten. De Dijkgraaf zal nu wel andere maatregelen gaan nemen die polderbesturen die niet krachtig genoeg optreden tegen de nalatige onderhoudsplichtigen”.
De mannen, die het werk gedaan hebben, waren naar de keet van de aannemer gegaan en zaten in hun ondergoed zich te drogen bij de gloeiend hete kachel. Jan van de Poel stond bekend om zijn gulheid als het werkvolk lang en zwaar moest werken. Leen Dolle, de slager caféhouder uit de Weipoort, bracht een stuk ham en Gijs van der Poel was met de tilbury van zijn vader brood bij de bakker gaan halen. Toen hij binnenkwam zei hij: “Ik heb gelijk maar een pot butter meegebracht, dat zal de bedoeling wel zijn geweest”. Inmiddels was er ook jenever verschenen en het breekijzertje (een jenever glas zonder voet) ging van man tot man. Het duurde niet lang tot Jan van der Poel zei: “Mannen, nou eerst wat eten, zoveel jenever in ’n holle maag, dat kan niet goed gaan. Als we gegeten hebben, dan nemen we er nog een paar. Dan kenne we d’r weer teuge”.
Het gemeentebestuur vergaderde nog dezelfde week en men was het er over eens, dat het hele geval een onvoorziene omstandigheid was en dat de meerdere kosten van deze werkzaamheden aan de aannemer Van Tilburg vergoed moest worden. Algemeen was men vol lof over zijn flinke optreden. Dit alles gebeurde op 19 maart 1903. Dankzij het krachtdadig optreden van de poldervoorzitter Van der Poel en goede samenwerking met zijn secretaris, het Hoogheemraadschap van Rijnland, de aannemer Van Tilburg en vele anderen, werd zeer waarschijnlijk een ramp voorkomen. Wij hebben de notulenboeken van B. & W. en de gemeenteraad van Zoeterwoude bestudeerd om te zien wat er over de brug is gezegd en besloten.
Ter verduidelijking: vroeger was er ter plaatse een doorwaadbare plaats met tol en het Weddepad was in feite slechts een pad. Voor de aankoop van de nodige gronden en het opheffen van de tol was de medewerking nodig van boer Dompeling van de nabijgelegen boerderij (thans familie Van den Akker) en de landheer Graaf van Limburg Stirum. De onderhandelingen verliepen echter niet vlot, waardoor het College van B. & W. in onderhandeling was gegaan met de weduwe H. Versteegen om aldaar een brug en weg aan te leggen. Op aandrang van het raadslid Van der Poel werden twee leden van de Raad, P. van der Poel en A. Rijnsburger, aangewezen om alsnog tot overeenstemming te komen met Dompeling. De onderhandelingen hadden resultaat en men kwam tot overeènstemming. Graaf van Limburg Stirum werd bereid gevonden de grond incl. tolrecht te verkopen voor f 3.000,– per ha.
De gemeenteraad van 29 januari 1903 gaf zijn goedkeuring aan de begroting voor het maken van een brug (stenen brug met stenen pijlers) en het verbreden van het Weddepad als volgt: aankoop grond van J.J. Graaf van Limburg Stirum: 0,7084 ha grond ad f3.000,–per ha f 2.125,20 aankoop grond van P. Hoogeveen: 282 m2 ad f 1,– kosten aanleggen van de weg kosten maken brug totaal 282,00 ” 1.690,00 ” 5.800,00 f 9.897,20 Financiering geschiedde door overschrijving van een inschrijving op het 30/ 0 Grootboek, groot f 9.000,– De aanbestedingen hadden het volgende resultaat: Laatste inschrijvers waren en kregen opdracht: A. van Tilburg voor het maken van de brug f 5.588,–; L. van Leeuwen voor het graven van de sloot f 632,78; Th. G. Salters (timmerman aan de Noordbuurt, thans technisch bureau Elderhorst) voor timmerwerken f 347,50; De weduwe J. den Breejen voor levering van grint voor f 1,34 per stere en J. Beijnsdorp voor het vervoer van grint voor f 0,55 per stereo.
Het adres van A. van Tilburg om schadeloosstelling, ondervonden bij de bouw van de brug tengevolge van het gedwongen trekken der beide dammen, veroorzaakt door de hoge waterstand in de maand april (7) j.1. zijnde 10 dagen verlet van de heiploeg met heimachine ad f 33,– per dag en f 200,– vergoeding van de aannemer voor het herstel van de dammen werd ondersteund door het college van Burgemeester en Wethouders, maar de raad besliste anders. Het raadslid Van der Poel vond f 200,– vergoeding voor A. van Tilburg veel te veel omdat Z.i. de dam bij Zandwijk (nu mevrouw Van Bennekom)* al reeds lekkage veroorzaakte voor de watersnood en dus toch vernieuwd had moeten worden. De aannemer kreeg de helft, dus f 100,–! In de gemeenteraadsvergadering van 16 juli 1903 stelde de burgemeester voor de nieuwe brug te noemen de Lagerbergbrug, als eerbetoon voor de onlangs overleden Wethouder Lagerberg, die zoveel verdiensten had gehad voor de gemeente. Raadslid Pieterse was van mening dat het nooit Lagerberg zijn bedoeling was geweest om daar een verbinding te maken met het Gelderswoude. Dit was meer een idee geweest van het raadslid P. van der Poel. Lagerberg wilde altijd een verbinding maken vanuit het achterste deel van de Weipoort t.p.v. het grote Kerkepad om daardoor minder wegen in onderhoud te hebben en een goede verbinding met de Zuidbuurt in de toekomst te verkrijgen. Het voorstel werd toch aangenomen.
C. P.J. Paardekooper Jr.
Bronnen:
De geschriften “Zo was het in Zoeterwoude” geschreven zo’n 25 jaar geleden door zijn vader, C.P.J. Paardekooper Sr.
* inmiddels Museum “de Bommelzolder”
Overname uit Suetan, oktober/november 1991
