Het verhaal van de Weipoort 1; over zand, klei, veen, de rivier, de zee en het ijs.

Wie in de Weipoort een huis wil bouwen krijgt te maken met de ondergrond. Kun je bouwen op staal of moet je bouwen op palen? De invloed van de Rijn, de opkomende zee, het ijs en het groeiende veen in een oud duinlandschap maakt dat de fundering van een huis of schuur in de Weipoort een uitdaging is. Om die uitdaging te begrijpen moeten we terug in de tijd. Ver terug in de tijd. In dit deel van het verhaal van de Weipoort gaan we terug naar het ijs, de tijd van Mammoeten, Wolharige Neushoorns en Sabeltandtijgers, vertellen we het verhaal van de ondergrond tot aan de Romeinen. De Romeinen waren, voor zover bekend, de eersten die met een kanaal de waterhuishouding trachten te beheersen.

Invloed van de Rijn en de zee in een notendop

De Rijn was de belangrijkste landschapsbepaler in het gebied. Vanaf het einde van de ijstijd stroomde hij door het Rijnland en vormde brede dalen en oeverwallen. Deze oeverwallen boden de enige droge gronden in het veenmoeras en trokken daardoor al vroeg bewoning aan. De rivier zette bovendien vruchtbare klei af, wat de groei van bos en de mogelijkheid tot landbouw stimuleerde. In de Romeinse periode kreeg de Rijn een dubbele rol: naast levensader voor natuur en bewoning werd hij de politieke grens (limes) van het Rijk. De aanwezigheid van de Rijn bepaalde de ligging van de Romeinse weg en forten en maakte vervoer door de delta mogelijk. Zonder de Rijn zou Zoeterwoude geen continue (pre)historische bewoningslijn hebben gekend zoals nu bekend is.

De opkomende zee (stijgende zeespiegel) na de ijstijd heeft eveneens diepe invloed gehad op de ontwikkeling van het landschap. Door de zeespiegelstijging veranderde de droge toendravlakte in een waterrijk moerasgebied – feitelijk creëerde de zee de omstandigheden voor veenvorming. Perioden van zeespiegelstijging (zoals rond 5000 v.Chr. en 1500 v.Chr.) zorgden voor veranderingen in waterhuishouding: eerst ontstond een soort binnenzee/getijdengebied dat het veen doordrong, later veroorzaakte de zee-invloed extra overstromingen en mogelijk brakke milieus. Tegelijk bracht de zee sediment aan bij de kust, wat leidde tot de vorming van strandwallen (duinen) die het achterland beschermden en het veenlandschap lieten ontstaan. Uiteindelijk zorgde de relatieve zeespiegelstabilisatie ervoor dat het veen kon doorgroeien tot hoog boven de zeespiegel. De naderende Noordzee vormde dus zowel een bedreiging (overstromingen) als een bron van verandering (nieuwe landvorming). Zonder de opkomende zee zou het gebied rond Zoeterwoude geen veenmoeras zijn geworden, maar een droog zandlandschap zijn gebleven. De wisselwerking tussen rivier en zee – Rijnwater en getijden – schiep zo het unieke moerasdelta-landschap waarin de mens zich pas laat (vanaf de steentijd) echt kon vestigen.

Samengevat: van een kale toendra waarin ook de Mammoeten en Wolharige Neushoorns zwierven via een nat veenmoeras tot een bewoond rivierenland – het landschap van Zoeterwoude onderging enorme veranderingen vanaf de laatste ijstijd tot aan de komst van de Romeinen. De landschappelijke ontwikkeling werd gedreven door klimaatverandering (einde ijstijd), zeespiegelstijging en veengroei, en de voortdurende werking van de Rijn met zijn sedimentaties en overstromingen. In elke periode wisten mens, dier en plant zich aan te passen aan de veranderende omgeving: van de eerste jagers in de drooggevallen delta tot de Romeinse soldaten in hun forten aan de rand van een Hollandse moerasdelta.

Laatste ijstijd en vroeg Holoceen (tot ca. 5000 v.Chr.)

Artist impression: mammoeten in een oud-duinlandschap.

Lang geleden tijdens de laatste ijstijd (Weichselien, tot ca. 11.700 jaar geleden) was de zeespiegel veel lager (ca. 120 meter onder het huidige niveau) en lag de kustlijn ver naar het westen. De regio van het huidige Zoeterwoude bestond toen uit een koude toendravlakte zonder bomen. Wind en smeltwaterrivieren legden in deze periode een dikke laag zand af op die kale vlakte (bekend als de Formatie van Boxtel). Dit creëerde een zanderig, duinachtig landschap. Het leven in deze periode bestond uit rondtrekkende groepen jagers-verzamelaars die bijvoorbeeld op rendieren en andere toendradieren joegen. Van vaste bewoning in Zoeterwoude is uit deze tijd niets bekend – mensen trokken rond en verbleven bij voorkeur in overgangsgebieden van nat naar droog, bijvoorbeeld bij rivierbeddingen of tijdelijke meren.

Aan het einde van de ijstijd begon het klimaat op te warmen en ging het Pleistoceen over in het Holoceen (vanaf ca. 11.700 v.Chr.). Door het afsmelten van de ijskappen steeg de zeespiegel relatief snel. Laaggelegen delen van Nederland, waaronder het huidige Rijnland, liepen vol water doordat de bodem nog lager lag dan de stijgende zee. In deze natte vlakten kwam de afvoer van regen- en rivierwater moeizaam op gang, waardoor uitgestrekte moerassen ontstonden. In de eeuwen na de ijstijd groeide het gebied rond Zoeterwoude dus dicht met moerasplanten. Deze moerasvegetatie vormde gaandeweg een veenpakket, het zogenaamde basisveen. Dit veen begon zich vanaf circa 7000 v.Chr. te vormen op de voormalige zandige toendra-bodem. Het basisveen markeert het begin van het kenmerkende veenlandschap in deze regio.

Gedurende de jonge steentijd, ca. 5000–3000 v.Chr. bleef de zeespiegel stijgen. De Noordzee breidde zich uit en creëerde een brede getijden-invloed in het westen van Nederland. Voor de vorming van de huidige kustlijn drong de zee via een estuarium, een brede riviermonding waar zoet rivierwater en zout zeewater elkaar ontmoeten en mengen, tot wel 30 km landinwaarts door in het Rijnland. Onze omgeving lag in die tijd binnen dit getijdengebied, met kreken en wad-achtige omstandigheden. Zout en zoet water mengden, en periodiek stond het land (inclusief veenvlaktes) onder invloed van de zee. Pas rond 5000 jaar geleden (3000 v.Chr.) stabiliseerde de kustlijn: er ontstonden natuurlijke strandwallen (duinen) langs de Noordzeekust. Deze zandige duinenreeks (waarvan de oostelijkste oude strandwal bij Voorschoten/Leidschendam ligt, niet ver van Zoeterwoude) sloot het achterland geleidelijk af van directe zee-invloed. Vanaf dat moment veranderde het gebied rond Zoeterwoude van een getijdengebied in een meer afgesloten moerasgebied met zoetwater. Achter de nieuwe duinen breidde het veen zich sterk uit, omdat regenwater nu langer kon blijven staan. Er ontstonden grote veenmoerassen (hoogveenkoepels) tussen de hoge zandgronden van de strandwallen en de vaste grond in het oosten (zoals de Utrechtse Heuvelrug). Door de continue veengroei lagen deze veenkoepels uiteindelijk hoger dan de omliggende rivieren en het grondwater. Tussen de veengebieden door zochten rivieren hun weg naar de zee. Een van die waterlopen was de Oude Rijn, die in het Holoceen (de huidige tijd na de laatste ijstijd) een belangrijke levensader van het Rijnland zou worden.

Steentijd: eerste bewoners in een drassig landschap (ca. 5000–2000 v.Chr.)

In de periode van de steentijd na het ontstaan van de duinen ontwikkelde het landschap zich tot een nat, laagliggend veen- en kleigebied. Tussen de uitgestrekte veenvlaktes stroomden riviertjes en kreken. De Oude Rijn werd ca. 4200 v.Chr. een actieve riviertak in dit gebied. Deze rivier vertakte zich soms in meerdere geulen (anastomoserend patroon) en overstroomde regelmatig, waarbij klei en zand werden afgezet op de oevers. Dicht bij de rivier kwamen relatief grove zandige en kalkrijke afzettingen terecht, verder van de stroom fijner klei. Op den duur vormden zich langs de rivier iets verhoogde oeverwallen – zandruggen opgebouwd uit die overstromingssedimenten. Deze oeverwallen waren van nature beter gedraineerd en iets hoger dan de omringende moerassen, en vormden daarmee de enige relatief droge plekken in een verder zeer drassig landschap.

De oeverwallen langs rivieren boden gunstige voorwaarden voor prehistorische bewoning. Vanaf ca. 3000 v.Chr. vestigden zich de eerste permanente bewoners op zulke hoger gelegen gronden. Eerder in de steentijd trokken mensen nog rond zonder vaste woonplaats, maar nu ontstonden de eerste dorpjes of boerderijen op de zandige kreekruggen en rivieroeverwallen. Archeologische vondsten in de nabije omgeving (bijv. Hazerswoude-Rijndijk) getuigen van vaste nederzettingen uit het Laat-Neolithicum, behorend tot de Vlaardingencultuur (ca. 2850–2500 v.Chr.). Deze mensen combineerden akkerbouw en veeteelt op kleine schaal met jacht en visvangst, aangepast aan het natte milieu. Uit opgravingen blijkt bijvoorbeeld dat deze boeren woonden op een zandrug aan een kreek, terwijl het omliggende land zeer nat en getijdengevoelig was tot circa 2750 v.Chr.. Op de locatie Hazerswoude-Spookverlaat zijn restanten van huizen, haarden en aardewerk uit de Vlaardingencultuur aangetroffen, maar ook artefacten uit de periode daarna, zoals bekers van de Enkelgrafcultuur en klokbekercultuur (ca. 2500–2000 v.Chr.). Dit laat zien dat er continue bewoning en gebruik van het gebied was tot in de overgang naar de Bronstijd.

Bronstijd: uitgestrekt veen en eerste boeren gemeenschappen (ca. 2000–800 v.Chr.)

Gedurende de Bronstijd bleef het landschap rond Zoeterwoude gekenmerkt door veenmoerassen en rivieren, maar er traden ook belangrijke veranderingen op. Tussen ongeveer 2000 en 1200 v.Chr. groeide het Hollandveen (het dikke veenpakket van West-Nederland) verder aan weerszijden van de Oude Rijn. Dit hoogveen vormde zich bovenop het oudere basisveen en kon in ongestoorde toestand doorgroeien tot enkele meters boven de zeespiegel. In deze fase was het klimaat in het Atlanticum, (ca. 8000–5000 jaar geleden) waarin veen sterk groeide en het Nederlandse landschap zijn natte karakter kreeg., relatief vochtig en warm, wat de veengroei bevorderde. De grote veengebieden lagen als bolle kussens in het landschap. In de kern van de veenkoepels ontstonden lokaal veenmeren (door regenwater gevuld), zoals het latere Zoetermeer iets zuidoostelijk van Zoeterwoude.

Ondertussen bleef de Oude Rijn actief meanderen en vertakken. Periodieke overstromingen bleven klei en zand afzetten, waardoor de oeverwallen langs de rivier geleidelijk verhoogd en verbreed werden. Langs de rivier ontstond hierdoor een strook relatief droog, vruchtbaar land (met kalkrijke klei en zavel) waarop bomen konden groeien en dieren konden grazen. Verder van de rivier bleven de omstandigheden natter en zuurder, met moerasbos (broekbos van els en wilg) op de rand van het veen en open veenvegetaties (rieten, zegges, veenmos) in de kern van het moeras. De invloed van de opkomende zee speelde ook in deze periode een rol. Rond 1500 v.Chr. vond een lichte zeespiegelstijging en transgressie plaats die de invloed van getijden weer iets vergrootte. Hierdoor trad de Rijn vaker buiten zijn oevers en reikte de overstromingszone tot verder landinwaarts (in perioden van hoog water zelfs tot in het gebied van het huidige Utrecht). Ook kunnen in die tijd brakwatermoerassen zijn ontstaan aan de randen van het gebied. Toch bleef de kustbarrière van duinen intact, zodat het Rijnland geen open zeearm werd; de zee-invloed uitte zich vooral in verhoogde grondwaterstanden en meer overstromingen van de Rijn.

Wat de bewoning betreft, zijn archeologische vondsten uit de Bronstijd in de veengebieden van Zuid-Holland relatief schaars maar wel aanwezig. De leefomgeving was nog altijd grotendeels een “wetland” waar permanente bewoning moeilijk was buiten de rivier- en kreekruggen. Uit vondsten langs de Oude Rijn blijkt echter dat er in de Bronstijd mensen in dit gebied woonden. Vermoedelijk betrof het kleine nederzettingen of losse boerderijen op de droogste stukken, zoals de oeverwallen of voormalige strandwallen dichter bij de kust. De bewoners leefden van veeteelt (het houden van vee op de nabijgelegen kwelders en drassige weiden) en beperkte akkerbouw op de iets hogere gronden, aangevuld met jacht en visserij in het omliggende moeras. In de late Bronstijd (ca. 1000–800 v.Chr.) raakten sommige delen van het veen iets beter begaanbaar doordat de waterafvoer verbeterde en het klimaat mogelijk iets droger werd. Deze ontwikkelingen legden de basis voor een toename van bewoning in de daaropvolgende ijzertijd.

IJzertijd: drogere gronden en bewoning op oeverwallen (ca. 800–50 v.Chr.)

In de IJzertijd onderging het landschap rond Zoeterwoude verdere rijping, en nam de menselijke aanwezigheid merkbaar toe. De Oude Rijn voerde in deze periode minder water af dan voorheen – vanaf ca. 800 v.Chr. slibden veel oude riviergeulen langzaam dicht. Dit kwam doordat een deel van het Rijnwater wellicht via andere routes ging stromen en omdat veenmoerassen de loop van kreken blokkeerden. Het dichtslibben van geulen en het iets droger worden van het klimaat rond het midden van de 1e millenium v.Chr. zorgden ervoor dat sommige stukken veen verdroogden en verhardden (zogenaamde veenrijping). Hierdoor werden delen van het moeras geleidelijk geschikt voor agrarisch gebruik en bewoning. Met name de randen van de veengebieden en de oudere oeverwallen staken nu duidelijker boven het omringende land uit.

Langs de oevers van de Oude Rijn en op de zandige kreekruggen ontstonden in de ijzertijd kleine gemeenschappen van boeren. Op deze hoger gelegen “eilanden” in het veen bouwde men driebeukige boerderijhuizen (combinaties van woonhuis en stal onder één dak). Daaromheen lagen akkertjes op de oeverwallen en weilanden op de iets lagere veengronden aan de randen. Verder het veen in bleef het land moeilijk bewoonbaar; mogelijk gebruikte men de diepere veenmoerassen wel seizoensgebonden voor specifieke activiteiten zoals het laten grazen van vee in de zomer, het winnen van zout uit brak veenwater of het verzamelen van voedsel en brandstof. Over het algemeen bleef het uitgestrekte veengebied echter dunbevolkt en wildernisachtig.

Vanaf circa 200 v.Chr. is archeologisch een duidelijke bevolkingsgroei in deze streek zichtbaar. Het aantal nederzettingen op de hoge gronden nam toe en er verschenen meer sporen van menselijke activiteit. De ijzertijdbewoners in Zuid-Holland worden in historische bronnen niet bij name genoemd, maar ze maakten waarschijnlijk deel uit van Germaanse stammen. In latere Romeinse bronnen wordt de stam der Cananefaten gelokaliseerd in het westen van Nederland (tussen Rijn en Maas). Archeologen nemen aan dat de inheemse bevolking ten zuiden van de Oude Rijn – dus in de omgeving van Zoeterwoude – tot deze Cananefaten behoorde. Zij leefden in de late ijzertijd in relatief goede verstandhouding met hun oostelijke buren, de Bataven in de Betuwe, en de noordelijke buren, mogelijk Friese groepen. Deze lokale bevolking zou bij de komst van de Romeinen met hen gaan samenwerken, bijvoorbeeld als hulptroepen, maar zou ook weerstand bieden wanneer nodig.

Romeinse tijd: grensland met rivierdijken, bos en moeras (ca. 50 v.Chr. – 250 na Chr.)

In de eerste eeuw voor Christus verschenen de Romeinen aan de randen van het gebied. Julius Caesar voerde krijgstocht campagnes uit in Gallië en benoemde in zijn verslagen (50 v.Chr.) een stam genaamd de Menapii in de kustmoerassen van deze regio. Korte tijd later, onder keizer Claudius (41–54 na Chr.), trokken de Romeinse legers onder leiding van generaal Corbulo naar het noorden. Rond 47 na Chr. werd de rivier de Oude Rijn door de Romeinen definitief ingericht als de noordelijke grens (limes) van het Romeinse Rijk. De invloed van de Rijn op het landschap was op dat moment tweeledig: enerzijds bepaalde de rivier nog steeds de natuurlijke omgeving (waterhuishouding, sedimentatie), anderzijds werd de Rijn nu ook een menselijke grensbarrière, versterkt met dijken, wegen en forten.

Ten tijde van de Romeinen bestond de omgeving van Zoeterwoude uit een moerasachtig en bosrijk delta-landschap. Langs de relatief hoge oeverwallen van de Oude Rijn groeiden loofbossen van eiken, iepen en essen. Deze bomen konden hier wortelen dankzij de zandige, iets verhoogde ondergrond en de door de rivier afgezette vruchtbare klei. Buiten de oeverwallen namen laagveenmoerassen het landschap over: uitgestrekte rietvelden, drassige weiden en hier en daar broekbos in de natste delen. Het land was doorsneden met kreken en veenstroompjes die in de Rijn uitmondden. Bij hoogwater trad de Rijn nog steeds buiten zijn oevers, waardoor in de lage delen van het veen kleiige overstromingslagen werden afgezet. De getijde-invloed was tot aan de Rijn merkbaar: bij vloed steeg het waterpeil en kon zout of brak water via de monding bij Katwijk een stukje landinwaarts doordringen, al was het gebied achter de duinen grotendeels zoet.

De invloed van de Romeinen op het landschap was vooral zichtbaar in het aanleggen van infrastructuur op de natuurlijke hoger gelegen gronden. Over de zuidelijke oeverwal van de Oude Rijn legden zij een versterkte weg aan (de limes-weg), die de verschillende forten met elkaar verbond. Deze weg lag op de verhoogde rivierduinen en moest het transport van troepen en goederen langs de grens vergemakkelijken. Tevens verbeterden de Romeinen mogelijk de drainage plaatselijk; er zijn aanwijzingen dat men kreken uitdiepte of kanalen aanlegde om het water te reguleren en bevaarbaar te maken voor legertransport. De Oude Rijn zelf diende namelijk ook als waterweg tussen de militaire bases – Romeinse schepen voeren over de rivier om voorraden aan te voeren.

Langs de limes-rivier verrezen een reeks castella (forten) en wachttorens. In de directe omgeving van Zoeterwoude bevonden zich meerdere forten op strategische locaties aan de Oude Rijn. Een van de eerste forten was gebouwd bij Valkenburg (Zuid-Holland) – bekend als Praetorium Agrippinae – dicht bij de oude Rijnmonding. Ten oosten daarvan lag een castellum bij Alphen aan den Rijn (Albanianae). Al gauw werd ook precies ten westen van de grens van Zoeterwoude een fort opgericht, bij Leiden-Roomburg (Matilo). Verder stroomopwaarts, iets buiten het huidige Rijnland, lag nog een fort bij Zwammerdam (Nigrum Pullum) en bij Utrecht (Trajectum). Tussen de grotere castella stonden waarschijnlijk kleinere wachttorens om de tussenliggende grens te bewaken. Voor zover bekend heeft er binnen de grenzen van de gemeente Zoeterwoude zelf geen Romeins fort of wachttoren gestaan, maar de aanwezigheid van patrouilles en een limesweg toont aan dat Zoeterwoude letterlijk grensgebied was. De lokale bevolking (de Cananefaten) werd onder Romeins bestuur opgenomen en diende vaak als hulptroepen in het Romeinse leger. Rond 69–70 na Chr. kwamen de Cananefaten onder leiding van hun leider Brinno overigens in opstand tegen de Romeinen (gelijktijdig met de Bataafse Opstand van Julius Civilis), wat duidt op enige spanning. Desondanks bleef het Romeinse gezag in deze streek gehandhaafd tot in de late 2e eeuw na Chr., waarna de forten langs de Rijn geleidelijk werden verlaten.

In de Romeinse periode was het landschap rond Zoeterwoude dus een mix van natuurlijke moerassen en door de mens aangepaste structuren. De Rijn bleef de levensader: hij bepaalde de landnatuur (door water, sediment en overstromingen) en werd ook de drager van de menselijke activiteiten (grens, vervoer). Pas eeuwen later, na de Romeinse tijd, zou de mens het landschap ingrijpend gaan wijzigen (bijvoorbeeld door de middeleeuwse veenontginningen rond 1000 na Chr., waarbij het veen grootschalig werd drooggelegd). Maar tot aan de Romeinse periode lag Zoeterwoude in een door water gedomineerd, groen en drassig delta-landschap, waar kleine gemeenschappen op de weinige hoger gelegen gronden leefden aan de rand van een uitgestrekt veenmoeras.

Sporen van de geschiedenis.

De sporen van deze indrukwekkende geschiedenis zijn terug te vinden in de ondergrond. Het heuvel landschap en het veen dat er voor zorgt dat de fundering van onze huizen rust op palen van 5 tot 22 meter. Dat er op staal gebouwd kan worden op rivier klei en soms op een duintop. En dat in de poldersloten van de nieuwe Gelderswoudsepolder zoute kwel opkomt. Door het pleistoce zand stroomt zoutwater onder de druk van de zee het binnenland in. In de diepe uitgeveende polders komt dat water naar boven in de kwel.
Sporen van de riviertjes en kreken zien we terug in het veenlandschap. De kerkpaadjes slingeren over de klei ruggen die achtergebleven zijn. Restanten van getijde kreken in een oeroud landschap. Je gaat het pas zien als je het door hebt.

Het Lange Kerkepad slingert over kleiruggetjes, oude oeverwallen van kreekjes in voormalige moeras.

Tijdlijn samenvatting per periode

  • Laatste ijstijd (tot ca. 11.700 v.Chr.): Koud toendra-landschap. Zeespiegel zeer laag, kustlijn ver weg. Wind en smeltwater vormden zandige vlaktes. Geen vaste bewoning; wel rondtrekkende jagers-verzamelaars in de regio (o.a. rendierjagers).
  • Vroege/midden steentijd (Mesolithicum & vroeg Neolithicum, ca. 10.000–3000 v.Chr.): Klimaat warmt op, zeespiegel stijgt. Ontstaan van uitgestrekte moerassen en basisveen in het lage land. Rond 5000 v.Chr. vorming van duinen aan de kust, waardoor het achterland (Rijnland) van de zee wordt afgesloten. Zoeterwoude komt in een zoetwatermoeras te liggen met veenvorming en riviertjes. Oude Rijn wordt actieve riviertak, legt klei en zand af en vormt verhoogde oeverwallen. Bewoning nog nomadisch; mensen leven van jacht en voedselverzameling bij waterlopen.
  • Late steentijd (Laat-Neolithicum, ca. 3000–2000 v.Chr.): Veenlandschap met kreken blijft dominant. Oude Rijn vertakt en stroomt met getijdeninvloed tot ~2750 v.Chr.. Eerste permanente nederzettingen verschijnen op droge kreekruggen en rivierduinen. Vlaardingen-cultuur: boeren combineren akkerbouw, veeteelt, visvangst in nat milieu. Aardewerk en huisplattegronden uit deze periode gevonden bij Hazerswoude tonen bewoning in Zoeterwoudse omgeving.
  • Bronstijd (ca. 2000–800 v.Chr.): Verdere veengroei (Hollandveen) tot meters boven zeespiegel. Uitgestrekte hoogvenen (met veenmeren) domineren het binnenland. Oude Rijn overstroomt geregeld; oeverwallen worden dikker en vruchtbaarder. Rond 1500 v.Chr. lichte zeespiegelstijging zorgt voor meer overstromingen (transgressie). Bewoning blijft beperkt tot de hoge gronden (rivier- en kreekwallen, oude duinen). Enkele boerderijen in het gebied; archeologische vondsten wijzen op aanwezigheid van mensen in de bronstijd, hoewel schaars.
  • IJzertijd (ca. 800–50 v.Chr.): Klimaat en hydrologie stabiliseren; Rijn splitst minder, sommige geulen verzanden. Bovenlaag van veen rijpt/verdroogt plaatselijk, waardoor nieuwe stukken land bewoonbaar en geschikt voor landbouw worden. Meer boerennederzettingen op oeverwallen en kreekruggen. Bewoners (waarschijnlijk Cananefaten) bouwen driebeukige boerderijen, houden vee op veenweiden en verbouwen gewassen op drogere grond. Uit archeologie blijkt een sterke toename van bewoning na 200 v.Chr..
  • Romeinse tijd (ca. 50 v.Chr.–250 na Chr.): Oude Rijn wordt limes (noordgrens) van het Romeinse Rijk. Zeer nat landschap: veenmoerassen en rivieren. Oeverwallen begroeid met bos, daaroverheen leggen de Romeinen een grensweg aan. Bouw van forten (castella) langs de Rijn, o.a. bij Valkenburg, Leiden-Roomburg (Matilo) en Alphen a/d Rijn. Lokale bevolking (Cananefaten) opgenomen in Romeinse invloedssfeer, leveren troepen maar leven ook in dorpjes naast de forten. De Rijn fungeert als transportroute en voedt het omliggende land met klei (blijft overstromen bij hoogwater). De combinatie van natuurlijke moerasvorming en menselijke aanwezigheid (dijken, forten, weg) bepaalt het landschap ten tijde van de Romeinen.